zaterdag 9 mei 2015

Requiem voor de melkbus en de postbode


Namque avaritia fidem, probitatem, ceterasque artis bonas subvortit
 (Sallustius, De Catilinae coniuratione 10,4).

Iedere verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering (J.C. Bloem, Aphorismen XXXIV)


Dit is een weeklacht om al die dingen die ons lang omringden,
maar plotseling, in korte tijd, buiten onze herinnering
niet of nauwelijks meer bestaan:

een requiem voor de weggerationaliseerde ijzeren melkbus, 
die zo lang’s morgens langs landweggetjes heeft gestaan,   
en voor de weggeflexibiliseerde postbode in uniform,
die opvolger van facteur Joseph Roulin,
die messager de l’amour van George Moustaki,
die Mr. Postman van de Beatles,
wiens heengaan
de eenzame nog eenzamer maakt
en ’s winters zelfs de laatste stappen in de sneeuw
heeft doen verdwijnen,

een requiem voor de zomer-oproepende snijbonenmolen,
geveld door een overvloed aan kant-en-klaar producten,
voor het weggeëmancipeerde voorjaarsritueel van de grote schoonmaak
met zijn goede oude geur van groene zeep en boenwas,
en de door massa’s narcissen omstuwde Paasvakantie
die is weggeseculariseerd,
een requiem voor de dikwijls krakende,
maar niet zelden tot extase gevoerd hebbende grammofoonplaat
met zijn grote, informatierijke hoes,
voor de door luidruchtige mobieltjes vervangen telefooncel,
die overal ‘mysterie en melancholie’
van straten en pleinen verhoogde,

voor de door een schroefdop vervangen kurk
op de van rode zegels voorziene groenglazen fles
van waaruit ‘de ziel van wijn’ de mens zijn ‘lied
vol licht en broederschap’ toezingt

een requiem ook voor de landelijke telefoonpalen
met zwaluwen als noten
op hun op notenbalken lijkende draden
die zonder kraaienmars begraven zijn,

een requiem voor de verdwenen hoefslag van het paard op de steenweg,
voor alle vonkenvoortbrengende smederijen
en voor de door het bevingen veroorzakende aardgas
’s winters voorgoed
van mijn slaapkamerraam verdreven
ijsbloemen,

een requiem voor de wellust opwekkende jarretelle,
nu alleen nog verkrijgbaar in louche seksshops,
maar voor het eerst - als kind - aanschouwd aan het been van mijn moeder,
dat toen perfect van vorm was als een Griekse zuil:

een requiem voor het besef van God
zonder wie alles is toegestaan
en alle kerktorens uit ons landschap zullen verdwijnen
en een voor de ziel
wier vurige rossen verjaagd zijn door het brein
en de synapsen die wij zouden zijn

voor al die dingen die zijn weggerationaliseerd,
geprivatiseerd, geflexibiliseerd,
door hebzucht vooral, en door techniek en wetenschap
zijn ingehaald,
en niet meer bestaan:
realiseer je eens hoe vertrouwd ze ons nog maar kort geleden waren
en denk er nog eens aan.