Aan de
hond die bij mij woont, de Vizsla Charlie
Aan u, hoog te achten
en dus te
vousvoyeren schepsel,
o aaibaar Dasein,
warmbloedig
antidepressivum,
mijn aardig
beest,
dat me bij
elke thuiskomst
- ongeacht
de kortheid der afwezigheid -
begroet met
blij geblaf en kwispelstaart,
onstuimig
als de westenwind van Shelley,
blaffende
beschermengel,
in wie uw
Wrochter zich haast openbaart,
die, onder
het voortbrengen van rare geluidjes,
soms
wanhopig lijkt te pogen
eventjes de
mensentaal te spreken
om mij sub rosa mee te delen
dat ge me
ook zonder woorden wel verstaat
- en wordt
er eigenlijk al niet genoeg gezwetst? -,
die me,
staande op uw achterpoten,
vaak met uw
voorste te omhelzen lijkt,
met wie het
fijner slapen is dan met een vrouw,
en die me
in uw slaap
vertedert
met uw zacht gesnurk en met uw stuipjes,
een van de
weinige wezens over ik wie ik mij
alleen maar
verheug
het ontmoet
te hebben op deze aarde
en daar
veel te kortstondig metgezel,
aan u, met
uw in uw draven nonchalant naar achteren geslagen oren,
uw rossige
glans van goud en herfstbladeren,
o ideale
mix van schoonheid,
jachtlust
(die u ’s winters soms zelfs doet belanden
tussen
schotsen ijs en waterhoentjes)
en
zachtaardigheid,
gij, met uw
geurige, zachte voetzooltjes,
uw met
fluweel beklede kop, uw goedmoedige gegrommel,
het
aandachtvragend stoten van uw neus,
o altijd
goedgeluimde zwartblaffer,
die uw master’s voice zelfs zou herkennen
uit de
hoorn van een ouderwetse pathefoon,
bezielde,
geschenk van Diana,
caniene kostbaarheid,
gij, die
nimmer zonder noodzaak bijt,
al kunnen
ook de overwegingen van Priamus
(de
mogelijke schending van zijn lijk
door zijn
geliefde honden)
nooit
helemaal worden vergeten,
aan u zijn
deze regels hier gewijd.
Aantekeningen
Mijn aardig
beest - reminiscentie aan het bekende volksliedje Klein vogelijn op groenen tak van J.P. Heije
Zwartblaffer
- hond waarvoor geen hondenbelasting wordt betaald
De
overwegingen van Priamus - vergelijk Homerus, Ilias XXII,66 vv.