Als ge rond middernacht de deuren soms hoort kraken,
Of gestommel hoort in lege kamers,
Wij zijn het slechts, de geesten der gezusters Aberson, die
dolen,
Nu onze ziel niet langer rust kan vinden
Bij de nieuwe aanblik van het dorp
Waar wij als weldoensters in welstand woonden,
Weet ge nog? Zo schonken wij het Warnsveld dat wij minden
Zijn steeds nog klaterende fontein.
Het zo geschonden ziende nu,
Door herindeling en bestuur
Verstedelijkt doelbewust,
Beroofd van zoveel groen,
- van meidoorns en
kastanjes
en - recent - van lanenlange
esdoornreeksen -
Vinden wij niet langer rust:
Nog snerpt door onze ziel het geluid van kettingzagen.
Maar weest niet bevreesd:
Na ons heengaan werden wij geen feeksen,
Wij dolen slechts
Na alle beloften aan u te zien gebroken
- het dorps karakter dat bewaard zou blijven,
bomen die zouden blijven staan…
Niet langer vinden onze zielen rust,
Wij komen slechts wat spoken,
Althans bij u.
Want wee de verantwoordelijken:
Kiny

