Als ge rond middernacht de deuren soms hoort kraken,
Of gestommel hoort in lege kamers,
Wij zijn het slechts, de geesten der gezusters Aberson, die
dolen,
Nu onze ziel niet langer rust kan vinden
Bij de nieuwe aanblik van het dorp
Waar wij als weldoensters in welstand woonden,
Weet ge nog? Zo schonken wij het Warnsveld dat wij minden
Zijn steeds nog klaterende fontein.
Het zo geschonden ziende nu,
Door herindeling en bestuur
Verstedelijkt doelbewust,
Beroofd van zoveel groen,
- van meidoorns en
kastanjes
en - recent - van lanenlange
esdoornreeksen -
Vinden wij niet langer rust:
Nog snerpt door onze ziel het geluid van kettingzagen.
Maar weest niet bevreesd:
Na ons heengaan werden wij geen feeksen,
Wij dolen slechts
Na alle beloften aan u te zien gebroken
- het dorps karakter dat bewaard zou blijven,
bomen die zouden blijven staan…
Niet langer vinden onze zielen rust,
Wij komen slechts wat spoken,
Althans bij u.
Want wee de verantwoordelijken:
Kiny


Over dit beeld merkte dichteres Maria Barnas, die er een gedicht over schreef, in mei 2009 in een interview met huis aan huisblad de Zutphense Koerier het volgende op:
BeantwoordenVerwijderen,,Het beeld van de twee stramme vrouwen, in dat gekke perkje, trok meteen mijn aandacht. Het beeld staat er onhandig bij, het vormt op geen enkele manier een organisch geheel met de omgeving. Het is ook eigenlijk niet meer van deze tijd om mensen zo ten voeten uit te portretteren. Wat dat betreft valt het op allerlei manieren uit de toon, en dat spreekt me wel aan. Anderzijds geeft het portret niet echt een beeld van de dames Aberson, behalve dat ze bij elkaar hoorden en zich niet graag lieten kennen. Het is bijna een abstract portret."