Ontmoedigend het lot
der stervelingen
- zelfs voor de
ongelukkige -
te weten dat dit
alles slechts voorlopig is
en wij niet lang ’t
gebruik hebben
van wat we aan
ervaring opdoen
noch van het werk van
onze hand;
wij zullen nauwelijks
rusten ooit
in ’t lommer van de
eik door ons geplant
en hebben zelfs
hetgeen we weten
slechts leren kennen
voor een korte tijd;
alles zal de dood ons
doen vergeten:
de steden eens door
ons bezocht,
de geur van de
velden,
gestalte en geest van
wie we ontmoetten,
de taal door ons
gesproken,
de sterren die we
zagen
in een winternacht,
de bladeren die we op
zomermiddagen
zacht hoorden ruisen,
de staatsinrichting
van het volk der bijen
die ooit door ons
werd bestudeerd,
hetgeen we uit het
lijden leerden,
de negen koren van de
engelen
die we eens kenden
en de gedachte zelf
van de onsterfelijkheid.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten