Bijna aan het eind
van de reis; reeds avond;
Ongeduldig, stram van
het zitten, zie je
in de ruit jezelf;
aan de lucht vervagen
peppels en wolken.
Thuisgekomen neem je
een dampend stortbad
en terwijl het stof
van de weg van je afspoelt
wachten, fris, je
eindelijk weer je eigen
leger en lakens.
Uitgestrekt, je hoofd
nog vol wijde luchten,
hoor je elk kwartier
als vanouds de slagen
van de
kraaienomfladderde klokkentoren
slaan in de verte.
Ongeschonden staan op
hun plank je boeken;
weldra ook zal luid
de muziek weerklinken
en de grammofoon,
waar je onderweg soms
zo naar verlangd
hebt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten