Quoque minus
sit causae, cur in vita manere debeant,
hoc magis
iuvet vivere… (Erasmus, Laus stultitiae)
De klokkentoren slaat,
de kraaien schrikken op
en vliegen uit over
de sneeuw,
die in de nacht
gevallen is op de velden
en de weg bedekt,
waarover al wie jong is
- ach, hoe lang
geleden reeds - naar elders is gegaan.
Van hen ben ik alleen
nog in dit dorp
waar zelfs de honden
naar me grommen nu
en ik een voorwerp
ben van smaad;
mij is alleen de
fonkeling nog van de wijn gebleven.
Maar hoewel ik heel
goed inzie
dat het leven mij
niet veel illusies laat,
verlangt mijn hart
immer nog
minder naar de
duisternis
in welke Charons
halfvermolmde boot knarsend
van de ene naar de
andere modderige oever gaat,
dan naar de terugkeer
van de zwaluw,
het uitzwermen der
bijen
en de zomerdageraad.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten