O beata solitudo
Ik was die middag maar gaan wandelen,
ik werd toch nergens meer verwacht,
de stad verliet ik langs een lange laan
die naar een bos leidt
waar niet-langslapers
vossen schijnen te ontwaren.
Wind ruiste door de kruinen van de bomen,
wier troostrijke aanwezigheid
niet grillig is
als die van vrouw of vrienden,
op open plekken speelden
vlekken zonlicht op het gras,
mijn hond liep vrolijk voor me uit.
Opeens verzoend weer met dit leven
wilde ik dat ik onsterfelijk was.