vrijdag 15 november 2013

Ontmoedigend



Ontmoedigend het lot der stervelingen
- zelfs voor de ongelukkige -
te weten dat dit alles slechts voorlopig is
en wij niet lang ’t gebruik hebben
van wat we aan ervaring opdoen
noch van het werk van onze hand;
wij zullen nauwelijks rusten ooit
in ’t lommer van de eik door ons geplant
en hebben zelfs hetgeen we weten
slechts leren kennen voor een korte tijd;
alles zal de dood ons doen vergeten:

de steden eens door ons bezocht,
de geur van de velden,
gestalte en geest van wie we ontmoetten,
de taal door ons gesproken,
de sterren die we zagen
in  een winternacht,
de bladeren die we op zomermiddagen
zacht hoorden ruisen,
de staatsinrichting van het volk der bijen
die ooit door ons werd bestudeerd,
hetgeen we uit het lijden leerden,
de negen koren van de engelen
die we eens kenden
en de gedachte zelf van de onsterfelijkheid.

4 mei, avond



Die avond kwam ik op mijn fiets het dorp ingereden,
Im wunderschönen Monat Mai
- De weerhaan blonk in de strakblauwe lucht,
Seringen geurden weer vol kracht -
Ik was het me niet eens bewust:
Om acht uur werden de gevallenen herdacht -

Zij die steeds langer reeds geleden
- Maar nog jongelingen als soldaat -
Hun enig leven schonken
Voor de verplettering van  het absolute kwaad.

Er waren in de stilte
Stemmen van lijsters
In de avondstond,
Bloesems van paardenkastanjes.

Sober werd met een trompetsignaal
Het plaatselijk verzet weer even in herinnering gebracht,
Geallieerde strijders,
Hooguit een jaar of twintig,
Gevallen toen de lijster even lyrisch was als nu,
De meimaand even zacht.

Nooit heb ik de liefde voor het leven in mijn borst zo fel gevoeld
Als toen, niet de prijs der vrijheid ooit zo hoog geacht.





zaterdag 9 november 2013

Domicilie: Warnsveld (NL)



Veel valt er over het dorp niet te zeggen:
In de oorlogszomer van 1944
- maar zelfs dat staat niet volkomen vast -
Werd er de hoogste temperatuur gemeten
Die zich tot dan toe ooit in Nederland had voorgedaan.

Wat minder lang geleden
Werd er een nooit geheel opgehelderde moord
Op een pompbediende begaan.

Dat is het wel zo’n beetje.

Wel is het, ondanks verwoed bestuurlijk streven
Naar het tegendeel, nog groen
En in bosrijk gebied gelegen,
Al maakt die enigszins idyllische omgeving
De mensen er niet minder kil en kleingeestig
Dan waar ook elders,
Nu of toen.

Maar toch,
Eerlijk is eerlijk:
Grote dichters woonden er,
Het is er rijk aan lanen,
Bemost soms, of met gras tussen de klinkers,
Bewoond door eekhoorntjes
En welgestelden,
En ’s morgens huppen op onmetelijke, bezonnewijzerde gazons
Wilde konijnen
Er de merels haast omver.



Aantekening

De genoemde ‘grote dichters’ zijn: J.C. Bloem, Ida Gerhardt en Paul Rodenko, die alle enige tijd in Warnsveld hebben gewoond.







Hondenhymne



Aan de hond die bij mij woont, de Vizsla Charlie

Aan u, hoog te achten
en dus te vousvoyeren schepsel,
o aaibaar Dasein,
warmbloedig antidepressivum,
mijn aardig beest,
dat me bij elke thuiskomst
- ongeacht de kortheid der afwezigheid -
begroet met blij geblaf en kwispelstaart,
onstuimig als de westenwind van Shelley,
blaffende beschermengel,
in wie uw Wrochter zich haast openbaart,
die, onder het voortbrengen van rare geluidjes,
soms wanhopig lijkt te pogen
eventjes de mensentaal te spreken
om mij sub rosa mee te delen
dat ge me ook zonder woorden wel verstaat
- en wordt er eigenlijk al niet genoeg gezwetst? -,
die me, staande op uw achterpoten,
vaak met uw voorste te omhelzen lijkt,
met wie het fijner slapen is dan met een vrouw,
en die me in uw slaap
vertedert met uw zacht gesnurk en met uw stuipjes,
een van de weinige wezens over ik wie ik mij
alleen maar verheug
het ontmoet te hebben op deze aarde
en daar veel te kortstondig metgezel,
aan u, met uw in uw draven nonchalant naar achteren geslagen oren,
uw rossige glans van goud en herfstbladeren,
o ideale mix van schoonheid,
jachtlust (die u ’s winters soms zelfs doet belanden
tussen schotsen ijs en waterhoentjes)
en zachtaardigheid,
gij, met uw geurige, zachte voetzooltjes,
uw met fluweel beklede kop, uw goedmoedige gegrommel,
het aandachtvragend stoten van uw neus,
o altijd goedgeluimde zwartblaffer,
die uw master’s voice zelfs zou herkennen
uit de hoorn van een ouderwetse pathefoon,
bezielde,
geschenk van Diana,
caniene kostbaarheid,        
gij, die nimmer zonder noodzaak bijt,
al kunnen ook de overwegingen van Priamus
(de mogelijke schending van zijn lijk
door zijn geliefde honden)
nooit helemaal worden vergeten,
aan u zijn deze regels hier gewijd.



Aantekeningen

Mijn aardig beest - reminiscentie aan het bekende volksliedje Klein vogelijn op groenen tak van J.P. Heije

Zwartblaffer - hond waarvoor geen hondenbelasting wordt betaald

De overwegingen van Priamus - vergelijk Homerus, Ilias XXII,66 vv.











woensdag 6 november 2013

Weer thuis



Bijna aan het eind van de reis; reeds avond;
Ongeduldig, stram van het zitten, zie je
in de ruit jezelf; aan de lucht vervagen
peppels en wolken.

Thuisgekomen neem je een dampend stortbad
en terwijl het stof van de weg van je afspoelt
wachten, fris, je eindelijk weer je eigen
leger en lakens.

Uitgestrekt, je hoofd nog vol wijde luchten,
hoor je elk kwartier als vanouds de slagen
van de kraaienomfladderde klokkentoren
slaan in de verte.

Ongeschonden staan op hun plank je boeken;
weldra ook zal luid de muziek weerklinken
en de grammofoon, waar je onderweg soms
zo naar verlangd hebt.

Verlangen



Quoque minus sit causae, cur in vita manere debeant,

hoc magis iuvet vivere… (Erasmus, Laus stultitiae)


De klokkentoren slaat, de kraaien schrikken op
en vliegen uit over de sneeuw,
die in de nacht gevallen is op de velden
en de weg bedekt, waarover al wie jong is
- ach, hoe lang geleden reeds - naar elders is gegaan.
Van hen ben ik alleen nog in dit dorp
waar zelfs de honden naar me grommen nu
en ik een voorwerp ben van smaad;
mij is alleen de fonkeling nog van de wijn gebleven.

Maar hoewel ik heel goed inzie
dat het leven mij niet veel illusies laat,
verlangt mijn hart immer nog
minder naar de duisternis
in welke Charons halfvermolmde boot knarsend
van de ene naar de andere modderige oever gaat,
dan naar de terugkeer van de zwaluw,
het uitzwermen der bijen
en de zomerdageraad.

Eindelijk zomer



Eindelijk zomer
eindelijk toont ons de wolkenvergaarder
lang achtereen weer zijn strakblauw verblijf
en wordt de zeis weer gewet, de flitspuit gevuld

de maïs groeit
weer voeden weiden jonge, graag-dravende paarden
in de bermen staan met hun purperen helmbos de distels
de kastanje zwelt in zijn stekelige vrucht

in keuken en moestuin
verschijnen strohoed en snijbonenmolen
weer keren alle schakeringen groen in de groenten
onder het mes dat ze hakt

stil is het ’s middags op straat
sprinkhanen komen op lakens die hangen te drogen
er wordt een hor voor de ramen geplaatst
en ’s avonds wekt een plots onweer
verkwikkende schrik in het reeds al te kalm hart.

Apologie van Kaïn



Hoe kon hij weten wat hij deed?
Hij nam zijn broer met boze opzet
mee in ’t veld en sloeg hem in zijn nijd,
dat wel, omdat zijn eerstelingen
wel aanvaard werden
in tegenstelling tot die van hemzelf,
maar was het zijn bedoeling hem te doden?
Hoe kon hij weten wat dat was?
niemand was nog begraven toen;
en zal hij niet geschrokken zijn,
toen hij tussen de distels
bloed het droge zand zag drenken?
Zal hij hem niet geschud hebben
om hem te wekken, zeggende:
‘Doe niet zo gek, Abel, sta op’?
Hoe kon hij weten wat hij deed?

A Sense of Mortality



A SENSE OF MORTALITY
(Lamento voor een populierenlaan)



Die lange, hoogdoorruiste populierenlaan
Die werd geveld:
Daar is het mee begonnen,
De bezetting van ons land
Met nieuwbouw,
Snelwegen, bedrijventerreinen;
De tirannie van de bestuurders.

De kettingzagen kwamen
- ze legden kilometers af -,
De bulldozers,
De storters van het asfalt,
Hoe lang geleden reeds!
Ik liep nog in een korte broek.

Die kilometerslange populierenlaan,
Die ik ontdekt had
Op eenzame fietstochtjes
Niet eens zo ver van huis,
In zomers vol van het gezoem van hommels
En bladerengesuizel,
Die lange, onverharde laan,
Waar het zo stil was,
Dat het je soms bang te moede werd
En deed aarzelen verder te gaan,
Waar je niet verbaasd zou zijn de bokspoot Pan te zien verschijnen,
Die eindeloze laan temidden van veldboeketbeladen beemden,
Waar nu de auto’s
Van de ‘hardwerkende Nederlanders’
Altijd in de file staan.

Wie denkt er ooit nog aan?
Die lange, hoogdoorruiste laan
- Ik heb het wel eens nagevraagd: niemand kan zich haar nog heugen -
Zij blijft - maar voor hoe lang nog? -
In mijn herinnering slechts voortbestaan
- een spook gelijk, dat soms rondwaart in een oude hoeve -,

Die eindeloze, omgezaagde, zoete abelenbaan.






Foto: Rinus Manders, Populierenlaan in het buitengebied van Gemert