maandag 7 december 2015

Eenzaam geluk



O beata solitudo


Ik was die middag maar gaan wandelen,
ik werd toch nergens meer verwacht,
de stad verliet ik langs een lange laan
die naar een bos leidt
waar niet-langslapers
vossen schijnen te ontwaren. 

Wind ruiste door de kruinen van de bomen,
wier troostrijke aanwezigheid
niet grillig is
als die van vrouw of vrienden,
op open plekken speelden
vlekken zonlicht op het gras,
mijn hond liep vrolijk voor me uit.
Opeens verzoend weer met dit leven
wilde ik dat ik onsterfelijk was.

donderdag 12 november 2015

Eind juli



De Nederlandse caravans zijn uitgezwermd
over de Europese wegen,
aangename stilte heerst
in het grotendeels verlaten land.

Onbevolkt door kinderen
liggen de schoolpleinen
zwijgend te zinderen onder de zon,
zelfs de zangvogels maken,
nu het broedseizoen voorbij is,
geen gerucht in bos en tuin.

Geluid komt slechts van onweer soms
en ’s nachts, in klamme slaapkamers, van muggen,
die in de stilte zoemen luid
als bommenwerpers voor een aanval.

De maïs staat reeds hoog,
krekels tjirpen in bermen vol boerenwormkruid,
de Tour de France is bijna weer verreden:

Onherroepelijk is
een van de zomers van mijn bestaan
al weer haast vergleden.

zaterdag 31 oktober 2015

Aan de Muze



Geef dat het kracht krijgt toch
wat gij mij schrijven doet
en tederheid, dat het niet louter
inkt blijft, enkel wendingen
waarin de geest niet waait
en niet de warmte is van ’t bloed,
dat het niet, het verharde niet beroerend,
alleen spreekt tot een week gemoed,
niet uit zwaveldampen is gesproken
van de drievoet, of in talen,
geen cryptogram wordt,
of een experiment enkel,
steriel en slechts bedacht,

maar laat, Muze, als sterke koffie
na een doorwaakte nacht,
als het geuren van linden op een juniavond
voor wie buitenkomt,
nadat hij het huis heeft moeten houden
de godganse dag,
de woorden zijn die gij in mij hebt laten opwellen,
wanneer het werk tenslotte is volbracht.


vrijdag 30 oktober 2015

Nieuwbouwwijk bij avond



 In het park klonken de late stemmen nog
van merels in de schemering,
van kinderspel en vrolijkheid.

Hier is het stil en nu snel donker
Aan het worden
Bij mijn terugkeer in de wijk.

Naast vrijwel elke eengezinswoning
staan nu twee auto's geparkeerd:
men is weer thuis.

De deuren zitten op het nachtslot,
rolluiken zijn neergelaten,
zodat de huizen in de straten wel verduisterd lijken
als in oorlogstijd;
wanneer je ergens aan zou bellen,
zou niemand opendoen:
hier wordt geen gast verbeid.

zaterdag 5 september 2015

Vroeg, wellicht enigszins sentimenteel, honden-begrafenisgedicht




Daar waar je eens de sneeuwklokjes vertrapt hebt,
jagend op de katten uit de buurt
en waar je, blaffend naar de postbode,
de narcissen geknakt hebt, Laelaps,
heb ik je begraven,
nu wreed de Dood me je gezelschap heeft ontroofd
en ik bemerk - me herinnerend met smart
hoe we op zomermiddagen nog kortgeleden
door de bossen dwaalden,
urenlang, als Actaeon met zijn honden eens,
na afloop van de jacht -
dat mijn gemoed nog niet volledig is verhard.

Vele jaren hebben ons meer met elkaars gewoonten
en elkanders stemmingen vertrouwd gemaakt dan met wat ook;
vaak, wanneer ik weende om mijn bitter lot,
kwam je, voorzichtig, wel wetende hoe wanhoop
om kan slaan in woede, naar me toe
en drukte je je snuit tegen mijn hand;
dikwijls, als ik op mijn kamertje studeerde,
of ’s zomers in de schaduw van een eik
wat verzen of historiën poogde te lezen,
maar me telkens af liet leiden
door de krekels of de mieren
die over een pad tussen de grassprieten marcheerden,
hield je op mijn bed of naast me
in het veld de wacht;
soms had je er plezier in onderwijl
de vogels bang te maken
en liet je tevergeefs je roepen;
wanneer je dorst gekregen had,
sloeg je gulzig met je tere tong
door een beuken-weerspiegelende regenplas;
zo heb ik jou, die nooit jezelf gekend hebt,
beter leren kennen dan het hart zichzelf.

Ik herinner me hoe je
als ik eens midden in de nacht
niet nuchter thuiskwam heel het huis wekte
met blij geblaf,
hoe er, als we op onze lange wandelingen
overvallen werden door een onweer,
door al het regenwater op je ruige vacht
niet veel meer van je overbleef dan een belachelijk scharminkel,
hoe je,  thuisgekomen,  druipend in de handdoek
waarmee ik je placht te drogen,
beefde in mijn armen;
dezelfde als in welke je gestorven bent
en waarmee ik je nu in de schaduw der seringen
heb begraven, achter in de tuin,
waarlangs nu ongestoord de postbode
zijn schreden richt, Laelaps,
zelfs stuif je niet meer op
wanneer een kat het waagt
een merel te besluipen
daar waar je nu ligt.

zaterdag 9 mei 2015

Requiem voor de melkbus en de postbode


Namque avaritia fidem, probitatem, ceterasque artis bonas subvortit
 (Sallustius, De Catilinae coniuratione 10,4).

Iedere verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering (J.C. Bloem, Aphorismen XXXIV)


Dit is een weeklacht om al die dingen die ons lang omringden,
maar plotseling, in korte tijd, buiten onze herinnering
niet of nauwelijks meer bestaan:

een requiem voor de weggerationaliseerde ijzeren melkbus, 
die zo lang’s morgens langs landweggetjes heeft gestaan,   
en voor de weggeflexibiliseerde postbode in uniform,
die opvolger van facteur Joseph Roulin,
die messager de l’amour van George Moustaki,
die Mr. Postman van de Beatles,
wiens heengaan
de eenzame nog eenzamer maakt
en ’s winters zelfs de laatste stappen in de sneeuw
heeft doen verdwijnen,

een requiem voor de zomer-oproepende snijbonenmolen,
geveld door een overvloed aan kant-en-klaar producten,
voor het weggeëmancipeerde voorjaarsritueel van de grote schoonmaak
met zijn goede oude geur van groene zeep en boenwas,
en de door massa’s narcissen omstuwde Paasvakantie
die is weggeseculariseerd,
een requiem voor de dikwijls krakende,
maar niet zelden tot extase gevoerd hebbende grammofoonplaat
met zijn grote, informatierijke hoes,
voor de door luidruchtige mobieltjes vervangen telefooncel,
die overal ‘mysterie en melancholie’
van straten en pleinen verhoogde,

voor de door een schroefdop vervangen kurk
op de van rode zegels voorziene groenglazen fles
van waaruit ‘de ziel van wijn’ de mens zijn ‘lied
vol licht en broederschap’ toezingt

een requiem ook voor de landelijke telefoonpalen
met zwaluwen als noten
op hun op notenbalken lijkende draden
die zonder kraaienmars begraven zijn,

een requiem voor de verdwenen hoefslag van het paard op de steenweg,
voor alle vonkenvoortbrengende smederijen
en voor de door het bevingen veroorzakende aardgas
’s winters voorgoed
van mijn slaapkamerraam verdreven
ijsbloemen,

een requiem voor de wellust opwekkende jarretelle,
nu alleen nog verkrijgbaar in louche seksshops,
maar voor het eerst - als kind - aanschouwd aan het been van mijn moeder,
dat toen perfect van vorm was als een Griekse zuil:

een requiem voor het besef van God
zonder wie alles is toegestaan
en alle kerktorens uit ons landschap zullen verdwijnen
en een voor de ziel
wier vurige rossen verjaagd zijn door het brein
en de synapsen die wij zouden zijn

voor al die dingen die zijn weggerationaliseerd,
geprivatiseerd, geflexibiliseerd,
door hebzucht vooral, en door techniek en wetenschap
zijn ingehaald,
en niet meer bestaan:
realiseer je eens hoe vertrouwd ze ons nog maar kort geleden waren
en denk er nog eens aan.

zondag 22 maart 2015

Pastorale

De zon stond hoog
't was midden op de dag
we stapten uit een vrachtwagen
en slenterden door een gehucht
ergens aan een provinciale weg
niet ver van de E8
waarlangs we in een weide lagen
toen ons het verder liften
niet meer wilde lukken
en we de nauwelijks nog rijpe bramen aten
die je langs de weg kon plukken

o ik me herinner me nu nog hun wrange smaak
en het gefonkel van de wijn
die we opdronken onder de wilgen
en gestolen hadden uit een zelfbedieningszaak
het natte gras waarvan de kilte
langzaam opgestegen was
in onze beenderen
terwijl we in gedachte door de gaarden gingen
die waren afgebeeld op 't etiket
hoe we - reeds was de fles geleegd
wat verderop hoorden we soms geblaat -
daar in de schaduw uitgestrekt
ons herders uit de oudheid waanden
die hun kudden naar de bron hebben gebracht
een hommel gonsde om ons heen
de zon stond hoog
't was midden op de dag

donderdag 19 maart 2015

Nadering school




Ontworpen zonder enige kunstzinnige pretentie,
slechts functioneel bedoeld,
en een gevaarsaanduiding
was je, echt een verkeersbord,
met je rode rand,
je vorm van een driehoek
en je witte veld,
maar je zwarte symbolen:
een meisje met een paardenstaart,
een jongen, wat groter,
met een boekentas,
die beiden hollen
- bij het horen van de bel misschien
of omdat de school zojuist is uitgegaan -
in de richting van de straat
waarop je rijdt -
je zwarte symbolen
- teruggezien nu op een foto
want uit het straatbeeld lang verdwenen -
riepen lange tijd sterker dan wat ook
in volle zintuiglijkheid
de lang vervlogen jaren van de lagere school
weer in je op:
de broederschool voor jongens,
de hoge klaslokalen
met hun wandkaarten vol natuurlijke historie en geschiedenis,
de geur van inkt en potloodslijpsel,
als je na de grote vakantie, in september pas,
weergekeerd was in de klas,
je korte broek, de tinnen soldaatjes
waarmee je hele veldslagen naspeelde,
je merelgelijke huppelpas,
de kilometertellers van de auto’s
- in die dagen nog geen algemeen bezit -
waar je onderweg van school naar huis
op keek hoe hard ze wel niet konden
- je kende alle merken in die tijd -,
de je ingeprente angst voor kinderlokkers,
de korsten op je knieën
wanneer je was gevallen,
de vrije woensdagmiddagen,
de lange wolkenloze zomers
met libelles in de tuin
en limonade,
de waterijslollies
uit de bij opening dampende diepvriezer
op de stoep van de bakkerswinkel,
die, eenmaal ontdaan van hun papieren wikkels,
de kleur hadden van tere hondentongen. 

Op een kwade dag verdween je plotseling rond schoolgebouwen
met je tot weemoed stemmende silhouetten,
en werden tous les garçons et les filles in je witte veld
vervangen door 'genderneutrale' pictogrammen
- navolging van Scandinavisch politiek correct beleid -
en ging al bijna definitief een spons
over het volgeschreven schoolbord van je verloren kindertijd.




                                                                                                                     

Tous les garçons et les filles is de titel van een liedje van de Franse zangeres Françoise Hardie, dat vertelt over de jaloezie van een meisje zonder vriendje op de stelletjes om haar heen. Het lied werd op tv uitgezonden op de avond van 20 oktober 1962 tijdens een muzikaal intermezzo van een verkiezingsreferendum. Hierna werd het snel een succes.
http://vimeo.com/60057699

zondag 15 maart 2015

Op een begraafplaats




Vanmiddag als nog levende het kerkhof bezocht
Waar mijn ouders liggen begraven,
Al weer lang geleden heengegaan,
En tegelijk ook onder de doden wat leven gewrocht
Door er - twee vliegen in één klap - mijn honden uit te laten.

Wat een tegenstelling met de grijze ernst der graven
Toen ik ze op de dodenakker vrolijk
Over de begrinte paden met hun rododendrons
Achter de merels aan liet draven.

Tegelijk me er weer van bewust:
Roemrijk en vurig bemind ooit
Of flets en nimmer gekust:
Hier vindt een ieder tenslotte
- In de tien jaar tot hij geruimd wordt -
Zijn ‘eeuwige rust’.

En of je leven nu grillig was
Of aangeharkt als hier de perken
Hier prijken, in marmer gehouwen,
Overal dezelfde clichés op de zerken:
De doden waren zorgzaam en lief,
Aan hen allen zal men altijd blijven denken,
Maar een persoonlijk woord kon er nergens af
Waarmee men een van hen even
- Als mijn honden nu aan deze plek -
Leven nog had kunnen schenken,
Want wie hier begraven ligt - waf, blaf -
Bleef conformist tot in het graf.