Daar waar je eens de
sneeuwklokjes vertrapt hebt,
jagend op de katten
uit de buurt
en waar je, blaffend
naar de postbode,
de narcissen geknakt
hebt, Laelaps,
heb ik je begraven,
nu wreed de Dood me
je gezelschap heeft ontroofd
en ik bemerk - me
herinnerend met smart
hoe we op
zomermiddagen nog kortgeleden
door de bossen
dwaalden,
urenlang, als Actaeon
met zijn honden eens,
na afloop van de
jacht -
dat mijn gemoed nog
niet volledig is verhard.
Vele jaren hebben ons
meer met elkaars gewoonten
en elkanders
stemmingen vertrouwd gemaakt dan met wat ook;
vaak, wanneer ik
weende om mijn bitter lot,
kwam je, voorzichtig,
wel wetende hoe wanhoop
om kan slaan in
woede, naar me toe
en drukte je je snuit
tegen mijn hand;
dikwijls, als ik op
mijn kamertje studeerde,
of ’s zomers in de
schaduw van een eik
wat verzen of
historiƫn poogde te lezen,
maar me telkens af
liet leiden
door de krekels of de
mieren
die over een pad
tussen de grassprieten marcheerden,
hield je op mijn bed
of naast me
in het veld de wacht;
soms had je er
plezier in onderwijl
de vogels bang te
maken
en liet je tevergeefs
je roepen;
wanneer je dorst
gekregen had,
sloeg je gulzig met
je tere tong
door een
beuken-weerspiegelende regenplas;
zo heb ik jou, die
nooit jezelf gekend hebt,
beter leren kennen
dan het hart zichzelf.
Ik herinner me hoe je
als ik eens midden in
de nacht
niet nuchter
thuiskwam heel het huis wekte
met blij geblaf,
hoe er, als we op
onze lange wandelingen
overvallen werden
door een onweer,
door al het
regenwater op je ruige vacht
niet veel meer van je
overbleef dan een belachelijk scharminkel,
hoe je, thuisgekomen,
druipend in de handdoek
waarmee ik je placht
te drogen,
beefde in mijn armen;
dezelfde als in welke
je gestorven bent
en waarmee ik je nu
in de schaduw der seringen
heb begraven, achter
in de tuin,
waarlangs nu
ongestoord de postbode
zijn schreden richt,
Laelaps,
zelfs stuif je niet
meer op
wanneer een kat het
waagt
een merel te
besluipen
daar waar je nu ligt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten